In situ beton

Commissie

dr. Ir. T. van Beek (voorzitter)
ir. R.H.C. van Berkel
ing. A.A. van den Bos
ir. J. van Capellen
drs. L.J.G. Dekker (bestuursvertegenwoordiger)
ir. L.D. Molenbroek
ir. D. Shayout
ing. A.P. Verhoef
ing. P. de Vries
R.F.H. Giessen
Ir. G.J. Dorrenboom

Doel van de commissie

Ervoor zorgen dat de aandacht voor ontwikkelingen in het materiaal beton bij in situ toepassingen binnen Stufib levendig blijft en (kennis en informatie over) nieuwe ontwikkelingen worden uitgewisseld met de leden. Het accent ligt daarbij
op de relatie met het constructief ontwerp en de uitvoering ervan.

Nadere toelichting

De commissie richt zich vooral op de koppeling tussen betontechnologische ontwikkelingen en de consequenties voor de toepassing van in het werk gestort beton. Centaal staan de constructieve aspecten bij gebruik van in situ beton in relatie tot ontwerp, vervaardiging en gebruik van betonconstructies. Voorbeelden waarbij de betonsamenstelling een rol speelt:

  • de veranderende relatie tussen betoneigenschappen (druksterkte – treksterkte – vervormingsgedrag) door gebruik van andere grondstoffen en betonsamenstellingen.
  • warmteontwikkeling van verhardend beton (invloed op vervormingen en spanningen)
  • ontkistingsterkte en sterkte bij ingebruikname (bijv. met de rijpheidsmethode)
  • gebruik van bijzondere betonsoorten (hogesterke, zelfverdichtend, vezelbeton etc.)
  • duurzaamheidsaspecten (en hergebruik) van constructief beton zonder het tijdelijk verlies van gebruiksfuncties bij periodiek onderhoud

Werkwijze

  1. Het volgen van nieuwe ontwikkelingen in regelgeving, betontechnologie en nieuwe toepassingen. De afstemming met zusterverenigingen (Stutech, Stubeco, etc.) is hierbij belangrijk.
  2. Het voor Stufib-leden toegankelijk maken van deze ontwikkelingen (o.a. door presentaties tijdens ledenvergaderingen)
  3. Het doen van voorstellen voor studiecellen op het raakvlak betontechnologie / constructie (ontwerp en uitvoering)

Het aantal te houden voltallige commissievergaderingen is voorzien op ca. 3 per jaar. De commissie evalueert eenmaal per jaar haar activiteiten en past deze in overleg met haar eigen bestuur en met het bestuur van zusterverenigingen, zo nodig, aan.